Stop! Ik wil eruit!

Fictie, in 541 woorden

Buiten hoort Samir vogels fluiten en een schaap blaten. Hoe laat zou het zijn, vraagt hij zich af. Waarschijnlijk nog vroeg, maar door de gordijnen schijnt het eerste zonlicht al naar binnen. Tijd om op te staan. Om Suzanne niet wakker te maken trekt Samir bijna zonder geluid te maken een joggingbroek en sweater aan, loopt naar de aangrenzende kamer en opent de deuren naar het terras. Het uitzicht - vanuit Camperduin richting Den Helder - over het Noord-Hollandse landschap is prachtig. De ochtendzon strijkt over de laaghangende mistflarden, de koppen van schapen steken er net bovenuit. Samir stapt naar buiten, gaat op een terrasstoel zitten en staart een paar minuten in de verte.

Dan doet hij zijn airpods in, opent Spotify, kiest zijn playlist met rustige Arabische muziek en denkt met zijn ogen dicht aan de heuvels rond Aleppo. Nederland is nu zijn thuis, Suzanne zijn grote liefde, haar ouders en familie hebben hem in hun midden opgenomen én hij heeft een goede baan, maar zonder dat alles zou Samir morgen teruggaan naar de stad en streek waar hij is geboren en tot zijn zestiende heeft gewoond. Samir dagdroomt over zijn vroegere leven als zijn oren het geluid van een voertuig registreren en ziet, als hij zijn ogen opent, in de verte een lijnbus aankomen. Een surrealistisch beeld. De bus lijkt te zweven doordat de wielen en de weg onzichtbaar zijn door de laaghangende mist.

Even later stopt de lijnbus voor het terras en de chauffeur wenkt. ‘Kom. Ik mag je iets laten zien.’ Ik? Samir wijst met een vragende blik op zijn borst. De chauffeur knikt. ‘Ja, jij.’ Samir aarzelt. Zijn nieuwsgierigheid is gewekt, maar Suzanne ligt binnen te slapen. ‘We zijn zo terug’, roept de chauffeur alsof hij gedachten kan lezen. Samir kan zich niet bedwingen en besluit op de uitnodiging in te gaan. Hij stapt in en zodra de bus optrekt rijdt Samir door de stad waar hij is opgegroeid. Aleppo ziet er kapotgeschoten en beschadigd uit, maar het is vanouds druk op straat. Mensen lopen, praten, lachen. Daar bovenuit prijzen verkopers luidkeels hun waar aan.

De buschauffeur heeft de deur opengelaten, Samir kan daardoor alles goed horen en snuift de lucht op die uit de eettentjes komt. ‘Hier rechts.’ Samir hoeft het maar te denken en de buschauffeur volgt zijn aanwijzingen. Door nauwe steegjes en onverharde straten waar het puin van de kapotgeschoten gebouwen aan de kant geschoven is bereiken ze de straat waar Samir heeft gewoond en vroeger met zijn vriendjes speelde. Ook hier heeft de oorlog zijn sporen achtergelaten, maar het huis van zijn ouders staat nog overeind. ‘Is dat mijn moeder’, fluistert Samir. En ja, daar loopt zijn moeder met Layla, zijn jongste zusje. Vrolijk lachend en pratend met elkaar.

Samir roept maar ze horen hem niet, verdwijnen om een hoek. ‘Stop! Ik wil eruit!’ De chauffeur reageert niet en Samir probeert zich op te trekken aan de stoel voor zich. Het volgende moment ligt hij languit op de Camperduinse grond met de rugleuning van een terrasstoel in zijn handen geklemd. Suzanne komt slaapdronken aangerend. ‘Niks aan de hand’, stelt Samir haar opkrabbelend gerust. ‘Ik had een droom.’ Daar laat hij het bij en veegt snel zijn tranen weg.